woensdag 9 april 2008

Liessel Tussen Duim En Wijsvinger

Zondag keek ik uit het keukenraam en zag de bosrand van Liessel.
Het is een plaatje dat ik al jaren ken.
Impulsief besloot ik naar het bos te lopen en het plaatje eens te ondervinden.
Het klinkt wat raar, maar ik had gewoon zin in een wandeling.
Even lekker onthaasten, en mijn nieuwsgierigheid zocht naar antwoorden.
Twee, drie akkers moest ik over om tot aan een zandpad te komen.
Het is een waterig zandpad met daarnaast een sloot.
In die sloot hebben we vaak gesprongen.
We probeerden eroverheen te springen, wat wel fout moest gaan.
Het leek alsof de sloot nu minder diep was.
De afstand naar de bossen was ook korter.
Misschien maakte onze fantasie destijds de akkers drassig en ver, en de sloot iets te diep.
Op het zandpad keek ik nog even om naar de afstand die ik had afgelegd.
Ik zag het kleinste dorpje wat ik ooit had gezien.
Met mijn duim en wijsvinger kon ik Liessel even vastpakken.
Ons huis links, daarnaast de kerk en rechts het voetbalveld.
Ik ben niet geboren in ons huis op de Vossenweg, maar ik woon er wel zo’n 20 jaar.
Samen met mijn broertjes hebben we achter op ons speelveldje wat afgevoetbald.
Zelf geloof ik het amper, maar ik ben tot mijn 15e nog misdienaar geweest in die kerk in het midden. In die tijd bidde ik nog regelmatig tot god.
Mijn vriendjes leerde ik kennen op dat voetbalveld rechts. Die jongens zie ik nog steeds.
Er kwam een blaadje voorbij waaien wat mij herinnerde om naar het bos te wandelen.
Ik besloot het zandpad weer te vervolgen.
Een variatie aan bomen grenzen aan het pad.
Ze kwamen mij enorm bekend voor. Toch kon ik het niet plaatsen.
Aan de linkerkant hoorde ik wat schapen blaten.
De lammetjes keken geïnteresseerd naar hun voorbijganger.
Al vragend kwamen naar hek van de wei gehuppeld.
Ik gaf ze een lach en een groet. Die wollige beestjes kunnen wel zonder mij, dacht ik.
Met een scheef koppie bleven ze mij aankijken. Ze begrepen mij niet helemaal.
Toch vond ik mijn groet voldoende. Mijn goede bedoelingen maakten de boodschap overbodig, zodat ik weer door kon lopen richting het bos.
Even bleef ik stil staan wanneer een lichtstraal spontaan mijn gezicht verwarmde.
Alsof een engeltje vanuit de hemel mijn wang kuste.
Mijn ogen vielen dicht en ik ademde liefde in.
Als de zon een meisje was, dan had ik haar verkering gevraagd.
Maar goed ik ben geen egoïst, dus de zon mag iedereen liefde geven.
Toen ik net de bossen was ingelopen, zag ik een leuk klein pad.
Het is bezaaid met dennennaalden, temidden van een berm van groen mos.
Ik besloot spontaan het kleine padje in te lopen.
Naaldbomen, volgens mij was ik daar vroeger allergisch voor.
Net als zo veel dingen waar ik niet tegen kan.
Je leert er mee leven, en ag het valt best mee.
Een mooie boom naast het pad hield mijn concentratie even vast.
Ik vroeg me niet af waarom, maar ik liep er naar toe.
Aangekomen bij de dennenboom, deed ik mijn rechterhandschoen af, legde mijn hand op de schors en keek naar boven.
De krommingen in zijn groei laten zijn levensloop zien.
De andere handschoen deed ik af en ik ging op het zachte mosgrond tegen de boom aan zitten.
Ik keek naar mijn handen. Ze zijn groot en zacht.
Brave studentenhanden, met een beetje eelt van het fitnissen.
Na mijn eerste vriendinnetje begon ik met fitnissen om mijn zelfvertrouwen weer op te krikken.
Best hypocriet eigenlijk, want het geeft een vertekend beeld van mij.
Even vond ik het allemaal gezegend, zo sloot ik mijn ogen en luisterde naar de omgeving.
De wind blies in mijn oor, de vogeltjes floten hun lied.
Bladeren en takken ritselden met de wind mee.
Het vergde wat moeite maar het lukte me om niet te luisteren naar mijn denken.
Even was niets belangrijk. Totdat ik een jong gezin hoorde fietsen.
Ze mochten me hier niet zien, dus ik stond op en liep weer aan.
Ietwat gehaast trok ik mijn warme handschoenen over mijn blote handen aan.
Met mijn stoere stappers liet ik voetsporen achter in het dennennaalden bezaaide zandpad.
Tussen de bomen door zag ik een warme uitnodiging van licht.
Op een open plek in het bos liet ik mijn gezicht kussen.
Aldaar op die open plek besloot ik vaker een wandeling te maken door het bos in Liessel.
Misschien dat er ooit een leuk zonnetje met mij mee wandelt.
Niet zozeer dat ik dan haar verkering zou vragen.
Maar ik zou zo graag Liessel laten zien.
Tussen mijn duim en wijsvinger.

Geen opmerkingen: