woensdag 14 mei 2008

De Blauwe Ogen van Opa

Vorige week vrijdag werd ik gebeld door mijn nichtje Anne Marie. Ze was een beetje overstuur toen ze vertelde dat Opa bediend ging worden. Eerlijk gezegd wist ik toen eigenlijk niet wat het bedienen was. Het klonk in ieder geval niet positief. Ik stelde Anne Marie een beetje gerust met mijn stem. Zo liet ik haar weten dat ik er ook zou zijn op de bediening en om daarna een drankje te doen op het terras. Het was heerlijk weer. Geen wolkje aan de lucht.

Vorige week zaterdag gisteren zat ik met mijn vader in de auto. We reden naar het bejaardenhuis in Deurne waar Opa lag. ‘Toen Bernard mijn leeftijd had was ik zeventien.’ Vertelde Pa. ‘Een laatbloeier dus.’ Verklaarde ik op een herkenbare toon. Het was een vader oudste zoon gesprek. Ik vroeg me af of dat Opa ook zo’n gesprek had gehad met zijn vader.

In het bejaardenhuis De Nieuwenhof lag Opa. Ook zijn dossier lag daar. Het dossier van Bernard van Hal. We mochten van de zuster het dossier inkijken, want we vroegen ons af wat Bernard nu onder de leden had. Hij zag er niet zo goed uit. Er stond wat gekrabbel van de dokter: symptomen van een UWI en wat verschijnselen van kortademigheid en slijmontwikkeling. Dus een mogelijke blaas en longontsteking? Maar hij had het niet, kon ik uitmaken uit zijn verhaal. Toch werd hij bediend. Opa kreeg een ziekezalving. Oma en de kinderen vonden dat tijd was.

In de kamer van Opa was het behoorlijk druk en benauwd. Op het dressoir stond een scheerapparaat. Dhr van Hal stond erop. Ik vroeg me af of Opa het apparaat nog kon herkennen? Misschien zou hij het dan nog lezen?. Kon hij nog wel lezen? Hoeveel van Opa was er nog over? Het ging niet zo goed met Opa.

De kinderen en de meeste kleinkinderen stonden rondom het bed van de oude man. Opa kon niet tegen die drukte. Hij werd drukker en moest meer hoesten. Opa heeft nooit de drukte opgezocht. Maar nu had hij geen keus.
De pastoor legde zijn zwarte weekendtas op een tafeltje en ging zich voorbereiden op de dienst. Hij haalde er een potje met zalf uit en vervolgens zijn gewaad. Wanneer hij zijn gewaad had aangetrokken, begon hij de blauwe boekjes met hoopvolle teksten uit te delen. ‘We beginnen op pagina twee.’ Vertelde de pastoor. De man bukte over Opa heen om hem toe te spreken. ‘Bernard wij gaan je de kracht van de heer geven.’ Opa trilde en schudde wat zijn hoofd. ‘Schiet maar op.’ Zei de oude man. Opa kon eigenlijk niet meer praten. Maar dat wist hij nog wel te vertellen. Af en toe was hij er nog.

Toen we met de familie in een kringetje van vertrouwen rondom het bed van Opa stonden keek ik Opa nog eens aan. Hij was echt mager. Vel over bot. Er was nog maar weinig over van de harde werker. Bernard was niet kapot te krijgen. Het enige wat nog straalde aan Bernard was de kleur in zijn ogen. Het was een beetje troebel maar het was er. Hemelsblauwe ogen. Ook Oma heeft die blauwe ogen. Zo ook mijn vader, mijn tantes en ooms, mijn neven en nichten en zelf mijn broertjes. En ik ook heb die blauw in de ogen stralen. Opvallend is dat we allemaal toch een eigen kleurtje aan dat blauw hebben gegeven. Zo is bij de een de kleur wat lichter, bij de ander heeft het een extra kleurtje. Op die manier vullen we ook onze eigen manier ons leven in. Opa zag met zijn ogen het land en zijn vee die voor het levensonderhoud van de familie van Hal zorgde. Papa ziet met zijn ogen oplossingen voor technische problemen en daarmee zorgt hij voor brood op de plank. En ik als zoon zie met mijn ogen een eigen waarheid die ik probeer op te schrijven.

Vier zoons en vier dochters. En maar liefst zeventien kleinkinderen. Dat hebben Opa en Oma best netjes gedaan dacht ik. Een grote gezelligheid. Want dat is het altijd als we bij elkaar zijn. Altijd mooi weer. Geen wolkje aan de lucht. Opa hield heel wijs altijd zijn mond dicht als hij niets te vertellen had. Oma vond het heerlijk dat ze op deze manier heel veel vrijheid had om te vertellen. En dat deed ze ook. De rest van de familie deed vrolijk mee.

Wat we van Opa hebben mee gekregen zijn trots en een oprecht gevoel voor moraal en normen en waarden. De eigen-wijsheid hebben we een beetje van Oma. Trots en eigenwijs, en eerlijk met het moraal hoog in het vaandel. Dat doen we op onze manier, gezellig met een pilske. Dat is de familie altijd mooi weer. Dat zijn de kinderen van Bernard van Hal en Mien van Hal.

In de nacht van zaterdag op zondag om half vier is Opa overleden. Aan de ouderdom. Papa maakte me zondagmorgen wakker: ‘Opa is dood.’ Ik was vrijwel direct wakker en antwoordde voordat ik eigenlijk kon nadenken. ‘Dat is snel.’ Zei ik. Ietwat verbaasd was ik. Dat het zo snel kon gaan. Opa had acht uur van te voren nog zijn bediening gekregen. Eigenlijk is het heel adequaat gegaan dus. Zoals het ‘hoort’. We hebben het als familie goed gedaan. Opa is aan de ouderdom gestorven. Niet zoals de dokter het had gekrabbeld in het dossier in het bejaardenhuis. Zijn lichaam en geest hadden geen zin meer in dat benauwde kamertje in het bejaardenhuis. Hij had geen zin meer in het proberen te praten. En zijn scheerapparaat kon hij al een tijdje niet meer vinden.

Diezelfde zondag na het bericht van Opa’s heengaan, zat ik buiten in een tuinstoel een boek te lezen voor school. Uiteindelijk moest ik toch brood op de plank zien te brengen. Het was aangenaam warm buiten, maar af en toe waaide het behoorlijk. Zo tilde de wind ineens de parasol een stukje uit zijn voetstuk. Ik gooide mijn boek van schoot om snel de parasol vast te pakken. Toen ik de parasol weer netjes op zijn plaats zette, zag ik het mooie weer. Er was geen wolkje aan de lucht. In de hemel zag ik een kleur blauw die ik die morgen nog zag in de spiegel toen ik mezelf scheerde. Op die zondag zag ik in de hemel de blauwe ogen van Opa.

1 opmerking:

antje en gerard zei

Hoi Ron,

het is een geweldig mooi verhaal

mvg Antje en gerard