donderdag 29 mei 2008
Biertje?
Zoute parels rollen over het raam van de kroeg naar beneden. Binnen aan de bar bestel ik een glas pis met een schuimeilandje van ellende. Een meisjeshand laat de tap een vaasje vol stormen. Een plasticvinger veegt wat overtollig schuim weg. Het sop sijpelt weg in de leegte. Een gezicht achter het vaasje met gezeik spreekt zonder woorden. Op haar uithangbord staat 1,70. Ik smijt wat onbenullig kleingeld over de bar en ze ontvangt het met open armen. Ik kijk in haar meisjesogen en zie haar horecalach. Heel even overweeg ik uit beleefdheid een gesprek met haar aan te knopen, maar ik besluit toch liever naar het gejank van het weer te luisteren. Dan hoor ik een piepstemmetje vanachter het gietijzer. Twee rode lippen bewegen op en neer en ze accentueert haar verhaal met een scheve wenkbrauw. ‘Schuilen voor het weer.’ Antwoord ik. Dan hoor ik weer het getik van de uiteenspattende pareltjes op het raam. Geen zin in die standaard gesprekken. Ze vraagt uiteindelijk toch om meer munttroep omdat ik van het praten meer ga zuipen. Meer geld op de ‘welkom’ van de deurmat van de kroeg. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat het barmeisje ietwat teleurgesteld is in haar gesprekspartner en besluit een uitweg te zoeken in een lade. Opeens wordt er een rond object met wat gekrabbel voor me neus geschoven. Het is een woordje in blauwe inkt op wit vilt. ‘Lief?’ Een klein gebaar, een boodschap zo roosgeurig. De reuk klinkt me bekend in de ogen. Ik kijk haar naar haar glanzende lippen, vervolgens naar haar wipneusje en in haar uitnodigende glimmers zie ik mijn verlangen. En ik bestel nog een vaasje met bloemen voor haar.
woensdag 14 mei 2008
De Blauwe Ogen van Opa
Vorige week vrijdag werd ik gebeld door mijn nichtje Anne Marie. Ze was een beetje overstuur toen ze vertelde dat Opa bediend ging worden. Eerlijk gezegd wist ik toen eigenlijk niet wat het bedienen was. Het klonk in ieder geval niet positief. Ik stelde Anne Marie een beetje gerust met mijn stem. Zo liet ik haar weten dat ik er ook zou zijn op de bediening en om daarna een drankje te doen op het terras. Het was heerlijk weer. Geen wolkje aan de lucht.
Vorige week zaterdag gisteren zat ik met mijn vader in de auto. We reden naar het bejaardenhuis in Deurne waar Opa lag. ‘Toen Bernard mijn leeftijd had was ik zeventien.’ Vertelde Pa. ‘Een laatbloeier dus.’ Verklaarde ik op een herkenbare toon. Het was een vader oudste zoon gesprek. Ik vroeg me af of dat Opa ook zo’n gesprek had gehad met zijn vader.
In het bejaardenhuis De Nieuwenhof lag Opa. Ook zijn dossier lag daar. Het dossier van Bernard van Hal. We mochten van de zuster het dossier inkijken, want we vroegen ons af wat Bernard nu onder de leden had. Hij zag er niet zo goed uit. Er stond wat gekrabbel van de dokter: symptomen van een UWI en wat verschijnselen van kortademigheid en slijmontwikkeling. Dus een mogelijke blaas en longontsteking? Maar hij had het niet, kon ik uitmaken uit zijn verhaal. Toch werd hij bediend. Opa kreeg een ziekezalving. Oma en de kinderen vonden dat tijd was.
In de kamer van Opa was het behoorlijk druk en benauwd. Op het dressoir stond een scheerapparaat. Dhr van Hal stond erop. Ik vroeg me af of Opa het apparaat nog kon herkennen? Misschien zou hij het dan nog lezen?. Kon hij nog wel lezen? Hoeveel van Opa was er nog over? Het ging niet zo goed met Opa.
De kinderen en de meeste kleinkinderen stonden rondom het bed van de oude man. Opa kon niet tegen die drukte. Hij werd drukker en moest meer hoesten. Opa heeft nooit de drukte opgezocht. Maar nu had hij geen keus.
De pastoor legde zijn zwarte weekendtas op een tafeltje en ging zich voorbereiden op de dienst. Hij haalde er een potje met zalf uit en vervolgens zijn gewaad. Wanneer hij zijn gewaad had aangetrokken, begon hij de blauwe boekjes met hoopvolle teksten uit te delen. ‘We beginnen op pagina twee.’ Vertelde de pastoor. De man bukte over Opa heen om hem toe te spreken. ‘Bernard wij gaan je de kracht van de heer geven.’ Opa trilde en schudde wat zijn hoofd. ‘Schiet maar op.’ Zei de oude man. Opa kon eigenlijk niet meer praten. Maar dat wist hij nog wel te vertellen. Af en toe was hij er nog.
Toen we met de familie in een kringetje van vertrouwen rondom het bed van Opa stonden keek ik Opa nog eens aan. Hij was echt mager. Vel over bot. Er was nog maar weinig over van de harde werker. Bernard was niet kapot te krijgen. Het enige wat nog straalde aan Bernard was de kleur in zijn ogen. Het was een beetje troebel maar het was er. Hemelsblauwe ogen. Ook Oma heeft die blauwe ogen. Zo ook mijn vader, mijn tantes en ooms, mijn neven en nichten en zelf mijn broertjes. En ik ook heb die blauw in de ogen stralen. Opvallend is dat we allemaal toch een eigen kleurtje aan dat blauw hebben gegeven. Zo is bij de een de kleur wat lichter, bij de ander heeft het een extra kleurtje. Op die manier vullen we ook onze eigen manier ons leven in. Opa zag met zijn ogen het land en zijn vee die voor het levensonderhoud van de familie van Hal zorgde. Papa ziet met zijn ogen oplossingen voor technische problemen en daarmee zorgt hij voor brood op de plank. En ik als zoon zie met mijn ogen een eigen waarheid die ik probeer op te schrijven.
Vier zoons en vier dochters. En maar liefst zeventien kleinkinderen. Dat hebben Opa en Oma best netjes gedaan dacht ik. Een grote gezelligheid. Want dat is het altijd als we bij elkaar zijn. Altijd mooi weer. Geen wolkje aan de lucht. Opa hield heel wijs altijd zijn mond dicht als hij niets te vertellen had. Oma vond het heerlijk dat ze op deze manier heel veel vrijheid had om te vertellen. En dat deed ze ook. De rest van de familie deed vrolijk mee.
Wat we van Opa hebben mee gekregen zijn trots en een oprecht gevoel voor moraal en normen en waarden. De eigen-wijsheid hebben we een beetje van Oma. Trots en eigenwijs, en eerlijk met het moraal hoog in het vaandel. Dat doen we op onze manier, gezellig met een pilske. Dat is de familie altijd mooi weer. Dat zijn de kinderen van Bernard van Hal en Mien van Hal.
In de nacht van zaterdag op zondag om half vier is Opa overleden. Aan de ouderdom. Papa maakte me zondagmorgen wakker: ‘Opa is dood.’ Ik was vrijwel direct wakker en antwoordde voordat ik eigenlijk kon nadenken. ‘Dat is snel.’ Zei ik. Ietwat verbaasd was ik. Dat het zo snel kon gaan. Opa had acht uur van te voren nog zijn bediening gekregen. Eigenlijk is het heel adequaat gegaan dus. Zoals het ‘hoort’. We hebben het als familie goed gedaan. Opa is aan de ouderdom gestorven. Niet zoals de dokter het had gekrabbeld in het dossier in het bejaardenhuis. Zijn lichaam en geest hadden geen zin meer in dat benauwde kamertje in het bejaardenhuis. Hij had geen zin meer in het proberen te praten. En zijn scheerapparaat kon hij al een tijdje niet meer vinden.
Diezelfde zondag na het bericht van Opa’s heengaan, zat ik buiten in een tuinstoel een boek te lezen voor school. Uiteindelijk moest ik toch brood op de plank zien te brengen. Het was aangenaam warm buiten, maar af en toe waaide het behoorlijk. Zo tilde de wind ineens de parasol een stukje uit zijn voetstuk. Ik gooide mijn boek van schoot om snel de parasol vast te pakken. Toen ik de parasol weer netjes op zijn plaats zette, zag ik het mooie weer. Er was geen wolkje aan de lucht. In de hemel zag ik een kleur blauw die ik die morgen nog zag in de spiegel toen ik mezelf scheerde. Op die zondag zag ik in de hemel de blauwe ogen van Opa.
Vorige week zaterdag gisteren zat ik met mijn vader in de auto. We reden naar het bejaardenhuis in Deurne waar Opa lag. ‘Toen Bernard mijn leeftijd had was ik zeventien.’ Vertelde Pa. ‘Een laatbloeier dus.’ Verklaarde ik op een herkenbare toon. Het was een vader oudste zoon gesprek. Ik vroeg me af of dat Opa ook zo’n gesprek had gehad met zijn vader.
In het bejaardenhuis De Nieuwenhof lag Opa. Ook zijn dossier lag daar. Het dossier van Bernard van Hal. We mochten van de zuster het dossier inkijken, want we vroegen ons af wat Bernard nu onder de leden had. Hij zag er niet zo goed uit. Er stond wat gekrabbel van de dokter: symptomen van een UWI en wat verschijnselen van kortademigheid en slijmontwikkeling. Dus een mogelijke blaas en longontsteking? Maar hij had het niet, kon ik uitmaken uit zijn verhaal. Toch werd hij bediend. Opa kreeg een ziekezalving. Oma en de kinderen vonden dat tijd was.
In de kamer van Opa was het behoorlijk druk en benauwd. Op het dressoir stond een scheerapparaat. Dhr van Hal stond erop. Ik vroeg me af of Opa het apparaat nog kon herkennen? Misschien zou hij het dan nog lezen?. Kon hij nog wel lezen? Hoeveel van Opa was er nog over? Het ging niet zo goed met Opa.
De kinderen en de meeste kleinkinderen stonden rondom het bed van de oude man. Opa kon niet tegen die drukte. Hij werd drukker en moest meer hoesten. Opa heeft nooit de drukte opgezocht. Maar nu had hij geen keus.
De pastoor legde zijn zwarte weekendtas op een tafeltje en ging zich voorbereiden op de dienst. Hij haalde er een potje met zalf uit en vervolgens zijn gewaad. Wanneer hij zijn gewaad had aangetrokken, begon hij de blauwe boekjes met hoopvolle teksten uit te delen. ‘We beginnen op pagina twee.’ Vertelde de pastoor. De man bukte over Opa heen om hem toe te spreken. ‘Bernard wij gaan je de kracht van de heer geven.’ Opa trilde en schudde wat zijn hoofd. ‘Schiet maar op.’ Zei de oude man. Opa kon eigenlijk niet meer praten. Maar dat wist hij nog wel te vertellen. Af en toe was hij er nog.
Toen we met de familie in een kringetje van vertrouwen rondom het bed van Opa stonden keek ik Opa nog eens aan. Hij was echt mager. Vel over bot. Er was nog maar weinig over van de harde werker. Bernard was niet kapot te krijgen. Het enige wat nog straalde aan Bernard was de kleur in zijn ogen. Het was een beetje troebel maar het was er. Hemelsblauwe ogen. Ook Oma heeft die blauwe ogen. Zo ook mijn vader, mijn tantes en ooms, mijn neven en nichten en zelf mijn broertjes. En ik ook heb die blauw in de ogen stralen. Opvallend is dat we allemaal toch een eigen kleurtje aan dat blauw hebben gegeven. Zo is bij de een de kleur wat lichter, bij de ander heeft het een extra kleurtje. Op die manier vullen we ook onze eigen manier ons leven in. Opa zag met zijn ogen het land en zijn vee die voor het levensonderhoud van de familie van Hal zorgde. Papa ziet met zijn ogen oplossingen voor technische problemen en daarmee zorgt hij voor brood op de plank. En ik als zoon zie met mijn ogen een eigen waarheid die ik probeer op te schrijven.
Vier zoons en vier dochters. En maar liefst zeventien kleinkinderen. Dat hebben Opa en Oma best netjes gedaan dacht ik. Een grote gezelligheid. Want dat is het altijd als we bij elkaar zijn. Altijd mooi weer. Geen wolkje aan de lucht. Opa hield heel wijs altijd zijn mond dicht als hij niets te vertellen had. Oma vond het heerlijk dat ze op deze manier heel veel vrijheid had om te vertellen. En dat deed ze ook. De rest van de familie deed vrolijk mee.
Wat we van Opa hebben mee gekregen zijn trots en een oprecht gevoel voor moraal en normen en waarden. De eigen-wijsheid hebben we een beetje van Oma. Trots en eigenwijs, en eerlijk met het moraal hoog in het vaandel. Dat doen we op onze manier, gezellig met een pilske. Dat is de familie altijd mooi weer. Dat zijn de kinderen van Bernard van Hal en Mien van Hal.
In de nacht van zaterdag op zondag om half vier is Opa overleden. Aan de ouderdom. Papa maakte me zondagmorgen wakker: ‘Opa is dood.’ Ik was vrijwel direct wakker en antwoordde voordat ik eigenlijk kon nadenken. ‘Dat is snel.’ Zei ik. Ietwat verbaasd was ik. Dat het zo snel kon gaan. Opa had acht uur van te voren nog zijn bediening gekregen. Eigenlijk is het heel adequaat gegaan dus. Zoals het ‘hoort’. We hebben het als familie goed gedaan. Opa is aan de ouderdom gestorven. Niet zoals de dokter het had gekrabbeld in het dossier in het bejaardenhuis. Zijn lichaam en geest hadden geen zin meer in dat benauwde kamertje in het bejaardenhuis. Hij had geen zin meer in het proberen te praten. En zijn scheerapparaat kon hij al een tijdje niet meer vinden.
Diezelfde zondag na het bericht van Opa’s heengaan, zat ik buiten in een tuinstoel een boek te lezen voor school. Uiteindelijk moest ik toch brood op de plank zien te brengen. Het was aangenaam warm buiten, maar af en toe waaide het behoorlijk. Zo tilde de wind ineens de parasol een stukje uit zijn voetstuk. Ik gooide mijn boek van schoot om snel de parasol vast te pakken. Toen ik de parasol weer netjes op zijn plaats zette, zag ik het mooie weer. Er was geen wolkje aan de lucht. In de hemel zag ik een kleur blauw die ik die morgen nog zag in de spiegel toen ik mezelf scheerde. Op die zondag zag ik in de hemel de blauwe ogen van Opa.
dinsdag 6 mei 2008
Sprookje
Er was eens een schrijver met een behoorlijk levendige fantasie.
Hij besloot een korte roman te schrijven over twee lotgenoten.
Het moest een klein sprookje worden voor op zijn blog.
Gewoon prima om weg te lezen.
Zo gezegd zo gedaan en hij beschreef twee vogeltjes in hun levenslied.
Een mannelijk roodborstje met twee linker vleugels, maar toch een minstreel.
Vrouwelijk was het paradijsvogeltje met kleurrijke veren, maar toch een saaie mus.
Vaak op een takje zat het roodborstje wat te tokkelen op zijn woordgitaar.
Hij had geen nest, zo kon hij de wereld rondreizen om lekker wat te spelen.
Geregeld kwamen er vogels naast hem zitten om te luisteren.
Enthousiast vertelde hij mooie woorden.
Overal waar hij kwam werd er graag geluisterd.
Hij hoefde er niets voor terug te hebben.
Een lach op het bekje van de luisteraar vond hij voldoende.
Vaak in de stad zat het paradijsvogeltje te pronken met haar veren.
Ze had geen baan, ze teerde op andermans geld om lekker wat te spelen.
Geregeld kwamen er vogels naast haar zitten om haar het hof te maken.
Enthousiast paradeerde ze rond met haar sexy kleuren.
Overal waar zij kwam keek men de ogen uit.
Ze had alleen aandacht nodig van rijke vogels.
Ieder mannelijk snaveltje met wat centen vond ze voldoende.
Van boven zijn verhaal keek de schrijver neer op de twee plaatjes die hij zojuist had omschreven.
Zijn pen legde hij neer en dacht even hardop na.
Het roodborstje sprak graag mooie woorden.
En het paradijsvogeltje luisterde naar aandacht.
Voor wie nu een clue vermoedt.
Het roodborstje en het paradijsvolgeltje hebben elkaar nooit ontmoet.
En ze leefden nog lang en gelukkig.
Hij besloot een korte roman te schrijven over twee lotgenoten.
Het moest een klein sprookje worden voor op zijn blog.
Gewoon prima om weg te lezen.
Zo gezegd zo gedaan en hij beschreef twee vogeltjes in hun levenslied.
Een mannelijk roodborstje met twee linker vleugels, maar toch een minstreel.
Vrouwelijk was het paradijsvogeltje met kleurrijke veren, maar toch een saaie mus.
Vaak op een takje zat het roodborstje wat te tokkelen op zijn woordgitaar.
Hij had geen nest, zo kon hij de wereld rondreizen om lekker wat te spelen.
Geregeld kwamen er vogels naast hem zitten om te luisteren.
Enthousiast vertelde hij mooie woorden.
Overal waar hij kwam werd er graag geluisterd.
Hij hoefde er niets voor terug te hebben.
Een lach op het bekje van de luisteraar vond hij voldoende.
Vaak in de stad zat het paradijsvogeltje te pronken met haar veren.
Ze had geen baan, ze teerde op andermans geld om lekker wat te spelen.
Geregeld kwamen er vogels naast haar zitten om haar het hof te maken.
Enthousiast paradeerde ze rond met haar sexy kleuren.
Overal waar zij kwam keek men de ogen uit.
Ze had alleen aandacht nodig van rijke vogels.
Ieder mannelijk snaveltje met wat centen vond ze voldoende.
Van boven zijn verhaal keek de schrijver neer op de twee plaatjes die hij zojuist had omschreven.
Zijn pen legde hij neer en dacht even hardop na.
Het roodborstje sprak graag mooie woorden.
En het paradijsvogeltje luisterde naar aandacht.
Voor wie nu een clue vermoedt.
Het roodborstje en het paradijsvolgeltje hebben elkaar nooit ontmoet.
En ze leefden nog lang en gelukkig.
Abonneren op:
Posts (Atom)